Expertiseportaal van de Hogeschool Gent

Engels

Professional Identities in Social Work: an Intergenerational Perspective

Project: Doctoraatsproject

Een belangrijke discussie in relatie tot de professionele identiteit van de sociaal werker betreft de vermeende ‘vertechnisering’ van de jongste generatie sociaal werkers (cf. Moore, 2012; Bauwens, 2011). Naast deze negatieve kijk op de intrede van een nieuwe generatie sociaal werkers, wordt door andere auteurs net gewezen op de positieve betekenis. Bontekoning (2010) bijvoorbeeld stelt dat nieuwe generaties leiden tot innovatieve golven en “… een groep die te lang doorgaat met verouderde gewoontes, krijgt iets doods, …” (Bontekoning & Grondstra, 2012, p. 21). Gevestigde generaties zetten dan te weinig vraagtekens bij de hedendaagse betekenissen, doelstellingen en werkwijzen. Samenwerking tussen generaties kan een bron tot vernieuwing in sociaal werk zijn: “Hoe mooi zou het zijn als het onbedorven pragmatische van een nieuwe generatie en de ingehouden verontwaardiging van de oude generatie elkaar zouden kunnen vinden in een professionele vernieuwingsbeweging?” (Van der Lans, 2008, p. 101).

 

Onderzoek naar de dynamiek tussen generaties gebeurt voornamelijk vanuit arbeidssociologisch en arbeidspsychologisch perspectief. De nadruk in dit onderzoek ligt op het onderzoeken van kenmerken van generaties in diverse contexten op het vlak van efficiency, samenwerking of conflicten tussen medewerkers (Charness & Villeval, 2009; Flamant, 2005; Tay, 2011). Deze focus is echter vaak zelfrerefentieel, gericht op het optimaliseren van het methodisch werken in diverse settings. Dit perspectief is voor het sociaal werk niet noodzakelijk relevant, gezien het sociaal werk niet louter gaat om methodisch handelen, maar ook de evaluatie ervan vanuit de (politieke) doelstellingen en vooronderstellingen die aan vormgeven (Lorenz, 2008). Daarenboven richt onderzoek inzake generaties die worden gevoerd binnen het sociaal werk zich voornamelijk op aspecten van de cliënt: categorieën van doelgroepen (Fuller-Thomson & Minkler, 2005; Miller, 1981; Verschelden & van Ewijk, 2008; Waites, 2009), hulpverlening tussen generaties (Cox, Parsons, & Kimboko, 1988) of intergenerationele kenmerken van sociale problemen (Bogolub, 1989; Lee, Hill, & Hawkins, 2012).

 

De ruimere discussie over de professionele identiteit van de sociaal werker blijft hier buiten beeld. Er is dus nood aan verdiepend onderzoek vanuit een intergenerationeel perspectief. Dit leidt tot volgende onderzoeksvragen:

 

  • Welke verschillende generaties sociaal werkers kunnen worden onderscheiden?
  • Hoe vullen die generaties sociaal werkers de professionele identiteit in?
  • Wat is de betekenis hiervan voor de concrete sociaal werkpraktijken?
  • Hoe kan hierop beleid in organisaties gevoerd worden?

Het onderzoeksopzet bestaat enerzijds uit een literatuurstudie en anderzijds uit casestudies.

 

Het eerste deel betreft een literatuurstudie over het concept generaties en over de notie professionele identiteit in het sociaal werk. Het begrip generatie is allesbehalve eenduidig. Het wordt gebruikt in de genealogische betekenis vanuit familiale verwantschap, soms als uiting van subcultuur, als een bepaalde vernieuwende leeftijdsklasse (Ester, Vinken, & Diepstraten, 2008), als een bijzondere categorisering van leeftijd (Verschelden & van Ewijk, 2008) of als verwijzend naar een gemeenschappelijk historisch referentiekader (Mannheim, 1928). Ook het concept professionele identiteit is een complex en ambigue begrip en verwijst vaak naar percepties van professionals over wie ze zijn en wie ze wensen te zijn (Bourdoncle & Mathey-Pierre, 1995; Peeters, 2008; Canrinus, 2011).

 

Het tweede deel omvat een aantal casestudies, gericht op de empirische toetsing van kritische cases (Mortelmans, 2007). Meer bepaald betreft het de cases OCMW Gent, Kinderopvang KAV en Jobcentrum West-Vlaanderen. OCMW Gent stelt bijvoorbeeld een discrepantie vast tussen de functie-invulling en verwachtingen van nieuwe instromers sociaal werkers (generatie Y, °1985-1990). In de kinderopvang KAV hanteren de 3 generaties medewerkers verschillende communicatie- en interactiepatronen naar cliënten. Ook binnen Jobcentrum West-Vlaanderen tekent er zich een onenigheid af tussen generatie X (°1955-1970) en de pragmatische generatie (°1970-1985). Aan de hand van een combinatie van meerdere interpretatieve methodes (interviews, focusgroepen en werkveldobservaties) wordt de betekenis van de huidige generaties op de professionele identiteit van sociaal werkers bevraagd. Er wordt eveneens geanalyseerd hoe hierop beleid kan gevoerd worden in organisaties.

StatusIn uitvoering
Periode1/10/1320/09/14

Verwante onderzoeksoutput